blocks_image
Het verhaal van Philemon en Baucis wordt door de Romeinse dichter Ovidius verteld in Metamorfosen VIII 626-720.

Twee goden die mensengedaante hebben aangenomen, kloppen tevergeefs aan bij duizend woningen. In één schamele hut worden zij wel gastvrij ontvangen,
die van de oude Philemon en Baucis, eenvoudige mensen met een goed hart,
die daar al jaren wonen. Zij verzorgen hun gasten met aandacht en bieden hun het beste aan van wat zij hebben. Als de spijzen en drank zich vanzelf aanvullen, bemerken zij dat ze goden te gast hebben.
Dezen spreken hun vloek uit over de bergstreek, en laten haar in een vloed ten onder gaan.
Alleen de hooggelegen hut van Philemon en Baucis wordt gespaard:
ze verandert zelfs in een tempel.
De verschrikte oudjes mogen van de hoofdgod een wens doen.
Hun eerste verzoek is dienaar van de tempel te mogen zijn, het tweede tegelijkertijd te mogen sterven, zodat de een niet om de ander behoeft te rouwen. En zo geschiedt. Nog lang leven Philemon en Baucis als dienaren van de tempel,
en dan op een dag ziet de een plotseling groen loof bij de ander groeien en een boomtop boven het hoofd opstijgen. Het gaat allemaal zo snel dat zij nog net elkaar vaarwel kunnen zeggen: beiden zijn in een boom getransformeerd.

blocks_image
blocks_image
blocks_image

Siets Aeneae Venema